dictionary extension

Thì của động từ

Tegenwoordig en verleden deelwoord: beplakkend; beplakt
Presens: beplak, beplakt, beplakt (4e - 6e pers.) beplakken
Imperfect: (1e - 3e pers.) beplakte (4e - 6e pers.) beplakten
Toekomende tijd I: zal beplakken, zult beplakken, zal beplakken (4e - 6e pers.) zullen beplakken
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou beplakken (4e - 6e pers.) zouden beplakken
Perfectum: heb beplakt, hebt beplakt, heeft beplakt (4e - 6e
© dictionarist.com